De fiets hoort bij de Achterhoeker. Ons eerste loopfietsje. De zijwieltjes. Vier rijen dik fietsen naar de middelbare school en flink keten. De eerste liefde van je leven achterop de drager. Met de fiets naar de fabriek en de meest dierbare; onze café fiets. Maar ook natuurlijk die buitencategorie fietsers: Dat zondagse peloton. De racevrienden met de penskes in de strakke race ‘pekskes’. Honderden kilometers achter elkaar aan racefietsen met het snot voor de ogen. Demarreren, kopgroepje. Wegspringen uit het peloton. Lurken aan de bidon. Net als in de Tour. Halverwege bij een Achterhoekse uitspanning de appeltaart voor de nodige suikers naar binnen werken en na het eindsprintje aan de stamtafel bladen bier voor de gezellige dorst. Elke zondagmorgen zwermen ze uit. Zo’n peloton heeft het niet makkelijk. Probeer maar eens twintig fietsers in volle vaart met een gemiddelde snelheid van 36 km of meer heelhuids in formatie terug te krijgen aan de meet. Zonder dat er onderweg eentje ergens de macht over het stuur verliest en zijn gebit in stukken bij elkaar moet rapen. Sleutelbeentje in twee stukken. Betonnen richeltjes en ander straatmeubilair dat ‘la grande vitesse’ in de weg staat. Dus dat zondagse peloton schreeuwt elkaar voorbij paaltjes, vluchtheuveltjes en vooral voorbij in de weg lopende Achterhoekers. Hoe haal je het in je hoofd om de snelheid uit dit glorieuze peloton te halen. Deze fietsers zijn de uitverkorenen van de Achterhoekse dreven en daarom wordt iedereen schreeuwend van de weg af gefoeterd. Edoch: Ik zou dat peloton op de zondagmorgen als Hermandad aan de kant zetten en allemaal een bekeuring geven. Ook op een racefiets moet een bel zitten. Arrogante schreeuwers zonder bel en daarom schreeuwen ze ons de stuipen op het lijf.
miggelbrink
columns uit meer dan dertig jaar Achterhoekse columns in de Gelderlander
Plaats een reactie